Home

Op de deurmat stamp ik mijn groene Vans schoon. Nat tot op mijn sokken. Buiten ligt een dik pak sneeuw. Door de beslagen ramen sla ik het Cornelis Troostplein gade. Vanavond mogen we weer. Vervuld door een mengeling van ongeduld en gezonde spanning loop ik naar de bar van nachtcafé Troost. Oud Amsterdams. Hartje de Pijp. Lekker volks. Stiekem een beetje pauper. Vanavond drinken we flesjes Grolsch. Niet van die hippe €5,- flesjes waar er voor de hip net even iets minder in zit. Vanavond drinken we recht uit de krat. Hier vier ik mijn vijfentwintigste verjaardag. Met een wrange bijsmaak.

Rond tien uur is het feest in volle gang. De muziek staat hard. De meute dicht op elkaar gedrukt. Het ruikt naar bier. Maar een overheersende mannenlucht dringt mijn neus binnen. Het ruikt hier naar een voetbalkantine op zaterdagmiddag. Als het eerste nog speelt en alle recreanten al aan het bier zitten. Het is een hengstenbal. Ons hengstenbal. En iedereen is er. Als ik op de bar klim heb ik goed zicht over de groep. Zo’n zeventig man heeft de moeite genomen weer en wind te trotseren. Het sneeuwt. Amsterdam glibbert al dagen over straat. Maar ze zijn er. Voor mij. Voor elkaar.

Vanaf de bar tuur ik de slecht verlichte kroeg in. In de schemering zie ik dat de jongens uit Haarlem massaal present zijn. Ik mis alleen Nelis. Iedere vriendengroep heeft wel een Nelis. Heemstede is present rond een tafeltje dat gesierd wordt door een legendarisch kitscherig tapijtje. Sassenheim is voltallig aanwezig. Gepositioneerd links achteraan bij de gokkast in het schemerlicht. Met een lichte trots zie ik achter bij het raam de jongens uit Nijmegen staan. Daar heb ik mijn roots. Ze zijn al vroeg vertrokken. Ladderzat zijn ze inmiddels. Voor de overwegend uit Noord-hollanders bestaande kroeg zijn ze amper meer te verstaan. Ze knikken beleefd. Buitenstaanders vormt het groepje Amsterdam. Mijn studiegenoten. Vol verwondering kijken ze rond. Volkomen niet op hun plaats. Toch zie ik ze genieten. Het is goed. Het klopt.

Staand op de bar tracht ik de groep te overstemmen. Een dankwoord uit te spreken. Ze geven me geen kans. ‘PARANOIA F, PARANOIA F, PARANOIA F’. Trots. Hier ben ik deel van. Dit zijn wij. Of waren we dit? Als mijn blik over de groep glijdt slaat de realiteit ijzig hard toe. Vrijwel de gehele groep is in meer of minder mate onderdeel van ons. Van FCH. Jaren aan herinneringen delen we samen. Een vrieskoude Noord tribune. Een hardcore dreun in het home. Een donkere steeg achter het stadion op vrijdagavond 18:45 vlak voor de aftrap. Een onbekende kroeg ergens in de provincie. Als ik mijn ogen kort sluit flitsen die momenten langs mijn ogen.

Druppelsgewijs begint de realiteit te zakken. FC Haarlem is niet meer. Die realiteit wordt me hier. Staand op de bar. Stinkend en inmiddels nat van het bier. Overstemt door de schreeuwende mannen. Pijnlijk duidelijk. Ik ben FCH. Wij zijn FCH. Maar FC Haarlem. Is gestorven. Een einde dat te vroeg is gekomen. Maar wij waren er. Tot het einde. Zoals altijd. ‘Wij staan lekker onderaan’.

Geleidelijk verandert mijn verjaardag in een herdenkingsdienst. Geen witte bolletjes met kaas. Geen laffe koffie. Maar bier en andere stimulantia. Ze brengen bij een ieder de verhalenstroom op gang. Gedachten dwalen af naar mijn eerste uitwedstrijd. Begin 2000 pakken we op station Voorhout het stoptreintje naar Haarlem. Het is het begin van het seizoen. Het is nog verrassend warm voor de tijd van het jaar. Bepakt en bezakt met liters bier. Huismerk. Piepjong en gespannen. Toen kon ik nog niet overzien dat ik me de daaropvolgende jaren in weer en wind die trein in zou hijsen. Uit liefde voor de club. Voor de groep. Na mijn eerste thuiswedstrijd tegen Eagles moesten we ongelofelijk op de loop. Wijt het aan romantisering van het verleden. Maar dit was de beste groep die ik ooit over de Rijksstraatweg richting het station heb zien marcheren. Denk ik.

Als kleine rat bezocht ik mijn eerste uitwedstrijd. Naar IJmuiden. Een dag die voor eeuwig in mijn geheugen gegrift zal staan. Mijn allereerste echte uitwedstrijd. En wat voor een. In de vrieskou pakken we als vanouds de stoptrein vanuit Voorhout om ditmaal in Heemstede uit te stappen. Als ik eraan terugdenk was het altijd koud als we naar Haarlem gingen. Ergens hoorde die kou er gewoon bij. Met auto’s en bussen reizen we af naar Velsen-zuid om aldaar te verzamelen bij het stadion. Kaarten hebben we niet. De realisatie dat dit geen normale gang van zaken is ontbreekt op dat moment ook nog bij mij. Maar ik geniet. Hier hoor ik bij. Dit zijn wij. En wij eindigen op het plaatselijke politiebureau. Verjaardagsliederen op de luchtplaats. En een moment van volledige verbijstering dat ik nooit meer zal vergeten. ‘Nee, laat dat belletje maar. Dat deed het eergister ook al niet.’ Hoor ik twee oudere jongens tegen elkaar zeggen al ze op de luchtplaats op de bel van de intercom drukken.

Jaar in. Jaar uit. Reis ik met bus en trein naar de hoofdstad van Noord-Holland. Soms nuchter. Soms dronken. Regelmatig verandert de staat van beneveling gedurende de reis. Tot mijn grote spijt ben ik behept met een vrij kleine blaas en geregeld moet ik in Heemstede de bus verlaten om mijn blaas te legen. De volgende bus kwam pas een half uur later. Verzamelen deden we door de jaren heen op de meest obscure locaties. Dat doe je immers niet in het café waar je je moeder tegen het lijf kan lopen. De vermaarde Tempelierstraat kende een donkere locatie die gedurende de jaren diverse malen van eigenaar veranderde. Al dan niet gedwongen. Of hij was er simpelweg niet meer. Hier voelde wij ons thuis. Het was donker. Afgesloten. Open op de tijden die wij wilden. Het was van ons. Het Kenaupark in Haarlem was ’s zomers onze plek. Een uitgestrekt dat park normaliter bevolkt werd door dak- en thuislozen, al dan niet verslaafd. Hier kwam niemand. Dit hoefde we enkel te delen met de junks. Met het station en het centrum op een steenworp afstand de ideale locatie voor wat al dan niet kon gebeuren.

De vrijdagmiddag werd een ritueel. Cambuur. Eagles. Fortuna. Zwolle. Helmond. Heracles. De Graafschap. Allen vereerde ze ons in meer of mindere mate met een bezoek. We vormden onze eigen subcultuur. Een bonte verzameling aan uitgesproken persoonlijkheden. Tegendraads. Eigenaardig. Opvliegend. Ruw. Rauw. Maar ook grappig. Trouw en bovenal loyaal. Een plek waar het niet uit maakte wie je was. Als je er maar was. En bleef. Mocht de situatie daar om vragen. Mannen onder elkaar. Veel drank. Humor. Gelul. En vaak die onderliggende spanning ‘Komen ze? Met hoeveel?’. Het maakte niet uit. Wij waren samen. Dit was ons FC Haarlem.

De verhalen door de jaren heen zijn zowel ontelbaar als onevenaarbaar. Voor buitenstaanders vaak niet te bevatten. Niet op waarde te schatten. Voor de beker reisde we af naar Oss. Met nog geen 15 man bevolkte we een verder lege coupe. Toch ging je. Natuurlijk. Tray halve liters mee in de trein en onderuitgezakt benevelen. Na twee uur reizen treffen we een blauw station Oss aan. Op het station staat onze vaste supportersbegeleider. Met zijn vermaarde en eeuwig terugkerende uitspraak ‘Kieperen heren’ als we weer eens bier stonden te drinken voor het stadion. Opgaan in de stroom forenzen is vrijwel geen optie. Feilloos pikt hij onze jongens uit de stroom medereizigers. We mogen de stad niet in. Waar ik als enige de trein uit weet te glippen aan de zijde van een oudere man en door Oss dool. Weten andere jongens via het volgende station Ravenstein het stadion van FC Oss te bereiken. Alwaar ze onverrichterzaken door de plaatselijke stewards retour worden gezonden. Verzamelen doen we dan maar in Den Bosch en dronken keren we die nacht terug in Haarlem. Nog steeds lach ik als ik langs Ravenstein kom.

Het stadion mochten we niet in. Erbij zijn moesten we. Haarlem zou in Sittard zijn eerste periode titel in 28 jaar gaan grijpen. Verzaken was geen optie. Daarom zaten we samen met het eerste groepje in de trein richting Sittard. We moesten immers iets aan tijd compenseren. Als de treingroep op Sittard aankomt staan we ze al enthousiast toe te zwaaien. Waar zij rechtsaf richting stadion lopen gaan wij linksaf richting het centrum. Chagrijnig dolen we door de koude en lege straten. De Suijkerpot laten we bij nader inzien toch maar aan ons voorbij gaan. Kastelein Sel ontvangt ons met open armen en via teletekst en Radio Limburg zien en horen we hoe FC Haarlem de periode titel pakt. Dat het een besloten feest is deert niet. De vragen waarom we niet aanwezig zijn in het stadion ontwijken we vakkundig. We zijn erbij. Daar gaat het om.

We hebben in ieder geval wel geleefd’. Ik ben op een bruiloft van een van de jongens. Langzaam worden we volwassen. Onze streken verleren we waarschijnlijk nooit. Voor altijd blijven we een tikkeltje anders. Net als dat we voor altijd verhalen op kunnen halen bij elkaar. Uitwedstrijden. Hekken hangen. Het Patronaat. Amateur wedstrijden. Buitenlandse tripjes. Op bezoek bij Sparta. In de auto naar Kortrijk. Bevrijdingspop. In alle vroegte je bed uit om te verzamelen voor de derby. Wandel-combi’s. Vale kroegen. Halve liters. Lauw omdat je er al een halve dag mee op stap bent.

Jaren lang. Bus in. Trein uit. Verzamelen. Blikken mee. Mannen onder elkaar. Snijdende humor. Altijd samen. Altijd voor elkaar. Ook al stonden we onderaan. Al waren we in de minderheid. IJskoud kon het zijn op Noord. Daar leek de gevoelstemperatuur altijd net een paar graden lager te liggen. Zeurende veldwachters. Erbarmelijk slecht voetbal. Drie uur aan het reizen om na een kwartier al 0-3 achter te staan. Ladderzat de laatste bus naar huis missen. Waar het om ging is dat we er waren. Net als de rest. Dat tekent je als mens. Vormt je in een cruciale periode in je leven. Waar de wereld afglijdt naar een individualistisch paradijs dat gestoeld is op online bevestiging. In een wereld waar de ‘like’ belangrijker is loyaliteit. Creëerden wij onze eigen subcultuur. Onze eigen regels. Onze eigen normen en waarden. Die zullen voor altijd verankerd zijn in mij. In ons. Door FC Haarlem. Door FCH.

FC Haarlem is dan misschien niet meer. FCH zal nooit verloren gaan.

Gepubliceerd 3 december 2013 op In de Hekken
http://www.indehekken.net/news/actueel/fch/

Advertisements

2 thoughts on “‘Wij staan lekker onderaan’

  1. Haarlem… voor mij de uitwedstrijd waardoor ik al 15 jaar VVV uit en thuis ben gaan volgen. Ik mis het eten door een hek….

    Bedankt voor de mooie jaren.

    *kloek kloek kloek’ vanaf de kaldenkerkerweg.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s